In sommige oefeningen uit de vervolgcursus fotografie werken de cursisten met flitstriggers. Flitstriggers zijn handige apparaatjes waarmee je flitsers (zowel reportage- als studioflitser) draadloos kunt ontsteken. Ze zijn erg populair onder strobist fotografen. Je hebt er twee nodig, een zender en een ontvanger. De zender plaats je (meestal) op je camera en de ontvanger sluit je aan op je flitser met een kort kabeltje of je plaatst de reportageflitser in de schoen (mits aanwezig) van de ontvanger.
Hoewel eenvoudig van opzet is dit een veel gebruikte oplossing in fotostudio’s. Maar met een dergelijk triggersetje kun je ook thuis een eenvoudige en goedkope studio-opstelling creëren in combinatie met één of twee flitskoppen (strobes), aangesloten op het lichtnet voor de stroomvoorziening. Je hebt al sets voor rond de 150 euro. Heb je echter al een reportageflitser, ga daar dan lekker eerst mee aan de slag. De triggerset kun je dan later weer gebruiken met de stobes.
Om te voorkomen dat je bij meerdere fotografen in dezelfde ruimte elkaars flitsers per ongeluk ontsteekt, kunnen de triggers op verschillende radiokanalen worden ingesteld. Net zoals je WiFi netwerk thuis, zodat je buren en jij elkaar niet storen.
Hoe stel je nu de flitsintensiteit in van de losse flitser? Met een ingebouwde flitser in je camera of een reportage flitser boven op je camera gemonteerd gebeurd dat normaal gesproken geheel automatisch (e-ttl, i-ttl enzo).
Bij een opstelling met losse flitsers doe je echter alles zelf (zonder gebruik te maken van de lichtmeting door je camera). Toch is daar goed mee te werken. Sterker nog, deze handmatige methode zul je steeds meer gaan waarderen omdat je alle controle hebt over de belichting. Zelfs zonder lichtmeter kom je een heel eind. Het kost alleen wat meer tijd.
Het radiosignaal van de zender vertelt aan de losse flitser op welk moment het moet flitsen, niet met welke intensiteit. De intensiteit stel je in op de flitser. Heb je een losse flitser dan moet die op manual worden gezet. Studioflitsers werken sowieso alleen handmatig. De flitsintensiteit regel je in stops ten opzichte van de maximale flitskracht. Dus 1/1 = volle kracht, ½ = halve kracht, 1/8 = kwart kracht enz. Het handmatig instellen betekent helaas ook wat vaker op en neer lopen naar de flitser. Minder snel dan met een ttl oplossing. Maar wel een stuk goedkoper.
Maar wat je nu nog steeds niet weet is welke flitskracht nou een goede flitsbelichting van het onderwerp op de foto oplevert. Dat is namelijk afhankelijk van het gekozen diafragma, iso waarde en de afstand van de flitser tot het onderwerp. Niet de sluitertijd, maar daarover zo dadelijk meer.
Nu neem ik even aan dat je niet over een losse flits(licht)meter beschikt. De controle op het histogram wordt dan erg belangrijk door een aantal proeffoto’s te nemen en de belichting te controleren. Je moet daarbij even aannemen dat een gebruikelijke sluitertijd bij flitsen rond de 1/125s ligt. En ik neem aan dat je een 18% grijskaart bij de hand hebt. Niet noodzakelijk, maar wel beter. Verderop lees je meer over grijskaarten.
De camera zet je op M, ISO op 100, sluitertijd dus op 1/125s en het diafragma op F/8. Tussen F/8 en F/11 zijn de meeste lenzen het scherpst en levert dit diafragma bovendien voldoende scherptediepte voor het fotograferen van mensen.
Zoom geheel in op de grijskaart en druk af. Let nu goed op het histogram. De grijze midden toon van de grijskaart moet ongeveer in het midden van het histogram een smalle hoge piek opleveren. Dit is belangrijk voor een goede belichting in de volgende stap. De ingestelde ISO, diafragma en flitskracht zullen wellicht zo dadelijk nog wat moeten worden aangepast.
Is de piek namelijk te veel naar rechts? Verklein dan het diafragma (groter F getal) en/of verminder de flitsintensiteit met 1 á 2 stops en/of zet de flitser verder van het onderwerp en/of verlaag de ISO waarde.
Is de piek te veel naar links? Vergroot dan het diafragma (kleiner F getal), verhoog de flitsintensiteit en/of iso waarde en/of breng de flitser dichter bij het onderwerp.
Zoek naar een zo laag mogelijke flitsintensiteit. Dan gaan de batterijen van de flitser langer mee (bij een reportage flitser), wordt die minder snel warm en herlaad tussen twee flitsen sneller bij. Maar probeer 1/1 flitskracht te voorkomen.
Maak net zolang flitsfoto’s van de gehele grijskaart totdat de piek in het midden van het histogram staat.
Alles helderder dan 18% grijs komt nu rechts van het middel. Alles donkerder links van het midden.
Hoe meer je uitzoomt op het onderwerp, hoe meer het achtergrondlicht in het histogram gaat terugkomen. Wees niet bang om geen perfect histogram te zien. Het onderwerp zal altijd goed belicht blijven.
Grijskaart voor lichtmeting en witbalansmeting
Er zijn vele soorten grijskaarten, bijvoorbeeld van Lastolite, de Ezybalance gray/white 12” en is 18% grijs. D.w.z. Reflecteert 18% rood, groen en blauw gelijkmatig.
De grijskaart gebruik je voor twee dingen: lichtmeting en witbalansmeting.
Een grijskaart is meestal 18% grijs. Camera’s (en lichtmeters) gaan er namelijk van uit dat de te fotograferen onderwerpen doorgaans 18% licht reflecteren. Met een grijskaart weet je dat dus zeker. De meting wordt niet in de war geschopt door lichtere of donkerder partijen. 18% grijs vormt de midden tonen in het histogram, precies halverwege de grafiek als de belichting correct is.
Een grijskaart kun je ook gebruiken voor het bepalen van de witbalans. Zowel in je camera (pre) of bij het nabewerken op je computer. Grijskaarten zijn namelijk kleurneutraal. Rood, groen en blauw hebben dezelfde reflectiewaarde. In balans dus, Het is overigens niet per se nodig om 18% grijs te gebruiken bij een witbalansmeting. Er zijn ook grijskaarten met 50% grijs.
Lichtmeter
Werken met grijskaarten voor lichtmeting levert ongeveer dezelfde meetmethode op als een lichtmeter gebruiken voor het meten van invallend licht. Helaas kunnen we met een grijskaart zo niet het flitslicht meten, want daar is het meetsysteem van onze camera niet snel genoeg voor. Maar daar hebben het histogram voor weet je nog.
Duurdere lichtmeters kunnen ook flitslicht meten. Waarbij sommigen dan bovendien de verhouding flitslicht/omgevingslicht in percentages aan je voorschotelen. Door de waarde van de sluitertijd op de meter te veranderen nadat de meting is gedaan, berekent de lichtmeter het bij die sluitertijd bijbehorende percentage van het omgevingslicht.
De meter toont de meeting aan de hand van het benodigde diafragma of de benodigde sluitertijd. Vergelijkbaar met resp. het A (Av) en S (Tv) programma op je camera. En uiteraard bij een door jou opgegeven iso waarde.
Het mooie van een lichtmeter is dat je ook het opvallende licht (luminantie, invallend licht) op je onderwerp kunt meten i.p.v. het gereflecteerde licht (illuminantie, uitstralend licht) zoals je camera dat meet. Hiervan is het voordeel dat deze meting NIET afhankelijk is van de reflectie van het onderwerp (donker, licht e.d.). De meter zal bij de opvallend lichtmeting altijd uitgaan van 18% grijs reflectieoppervlak. Midden tonen dus die halverwege het histogram zouden moeten terugkomen. Deze meetmethode lijkt dan ook op onze spotmeting met grijskaart. Let wel, de meter gaat uit van een 18% grijs oppervlak. Wat in de praktijk dus niet zo hoeft te zijn! Enige correctie zal dus ook bij een lichtmeter nog nodig kunnen zijn.
Gebruik je de lichtmeter om het gereflecteerde licht te meten (omdat je bijvoorbeeld niet dicht genoeg bij je onderwerp kunt komen) dan is dat WEL afhankelijk van de reflectie van het onderwerp! Want ook hier gaat de meter er van uit dat het te meten onderwerp 18% grijs is, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Het onderwerp is bijvoorbeeld een witte bruidsjurk of een stapel kolen. Vandaar dat sommige lichtmeters een spot viewfinder hebben om de reflectie van het gewenste oppervlak precies te meten.
Sommige lichtmeters kunnen ook contrastmetingen uitvoeren tussen verschillende lichtbronnen. Daarmee kun je verschillen in helderheid van het onderwerp goed meten. Dat is handig om binnen het dynamisch bereik van je camera te kunnen blijven. Ook kunnen enkele typen flitsers ontsteken om daar een meting van te doen. Dat kan dan middels een flitskabel aangesloten op de meter. Of draadloos, maar dat dan alleen met een specifieke ontvanger van een bepaald merk en type. Bijvoorbeeld van de fabrikant Pocketwizard.
Sluitertijd heeft geen invloed op hoeveelheid flitslicht
Door een andere sluitertijd dan de ingestelde 1/125s te kiezen kun je de achtergrond (en een beetje het hoofdonderwerp) helderder of donkerder maken.
Als je de flitsintensiteit niet verandert regel je met het diafragma en de iso de belichting van het onderwerp. Laat dit even tot je doordringen. Want heeft de sluitertijd dan geen invloed op de flitsintensiteit? Nee, de sluitertijd bepaald alleen hoeveel bestaand licht (omgevingslicht) wordt gebruikt in de totale belichting (totaal = flits- + omgevingslicht). Het flitslicht belicht hoofdzakelijk het hoofdonderwerp terwijl de sluitertijd de helderheid van de achtergrond bepaald (en een beetje van het hoofdonderwerp).
Dat komt door twee zaken. Ten eerste is de achtergrond vaak te ver weg om door de flitser belicht te worden (de lichtopbrengst neemt namelijk kwadratisch af met de afstand). Ten tweede duurt de flitspuls veel korter dan de sluitertijd. Omdat de flitspuls alleen het onderwerp belicht, komt er gedurende de rest van de tijd dat de sluiter open is alleen nog maar omgevingslicht binnen op de sensor. Hoe langer de sluitertijd is, hoe meer omgevingslicht er wordt gebruikt in de foto. In de praktijk bepaal je dus zelf de verhouding (ratio) tussen de hoeveelheid omgevingslicht en de hoeveelheid flitslicht. Dat is het mooie aan het werken met de M stand. Overigens kennen sommige camera’s in TTL-mode een automatische stand om de juiste balans te vinden tussen omgevings- en flitslicht. Bij Nikon heet dat TTL-BL.
Flitsen bij een sluitertijd langzamer dan 1/125s is geen echt probleem. De “langzame synchronisatie flits instelling” voor je (interne) flitser maakt er zelfs gebruik van om toch nog de achtergrond goed te kunnen belichten. Eventuele bewegingsonscherpte van het onderwerp wordt gelukkig verminderd door de zeer korte flitspuls die het onderwerp zal “bevriezen”. De achtergrond kan bij sluitertijden lager dan 1/60s wel last krijgen van bewegingsonscherpte.
Sluitertijden sneller dan 1/125s daar en tegen lopen al gauw tegen technische beperkingen aan in de samenwerking tussen de camera en de flitser. Alleen met duurdere (merk gebonden) flitsers en gevorderde camera’s is dat mogelijk met zg. high speed sync. Ze geven dan niet één puls af maar vele kleinere achter elkaar gedurende de sluitertijd. De flitser brand dan in feite semi continue gedurende de hele sluitertijd.
Het voordeel van snellere sluitertijden bij flitsen is dat je met grotere diafragma’s kunt werken om kleinere scherptedieptes te krijgen. Ook hoeft de flitser dan minder krachtig te flitsen wat batterijen bespaart en de flitser sneller weer gereed maakt tussen twee flitsen in.
Witbalans
De witbalans had je toch al wel ingesteld op flitslicht? Dat is eigenlijk niet helemaal eerlijk. Het omgevingslicht gebruik je immers ook in de belichting en de kans dat dit dezelfde kleurtemperatuur heeft als van het flitslicht is niet zo groot. Je krijgt dus een vermenging van verschillende lichtbronnen en daarmee verschillende kleurbalansen.
Wat je kunt doen is om een kleurenfilter op de flitskop te leggen. Dat kleurenfilter dient dan dezelfde kleurtemperatuur te hebben als het omgevingslicht.
Om de witbalans met of zonder kleurenfilters verder optimaal te krijgen kun je overwegen om deze vooraf eenmalig met een wit-of grijskaart te meten. Je toestel moet dit wel ondersteunen. Je maakt dan een foto van zo’n kaart en zegt tegen de camera dat het deze moet gebruiken om de juiste witbalans te bepalen. Deze waarde is dan alleen geldig voor de belichting van dat moment van de dag, op die plaats en met het (eventueel) gebruikte hulplicht (flits).
Je kunt ook een wit-of grijskaart eenmalig per belichtingssituatie mee fotograferen met het onderwerp door deze daar even dicht bij te houden en er een foto van te nemen (met flits). Zo’n kaart is kleurneutraal. Wat wil zeggen dat rood, groen en blauw alle drie even sterk reflecteren. In balans zijn. Vandaar de naam kleur- of witbalans. Thuis op je computer kun je dan, mits je software dat ondersteunt, (meestal) met een witbalans pipet de kaart op die ene foto aanklikken om zo je fotosoftware te vertellen dat dit de juiste witbalans is. In raw gaat dat het beste. Deze waarde kun je dan door je software in één handeling over alle andere foto’s laten kopiëren die met het zelfde (flits)licht zijn gefotografeerd.
Er zijn nog andere manieren (target met colorchecker kaart) om de witbalans en eventueel de kleuren zo natuurgetrouw als mogelijk te krijgen.
Universele triggers van Cactus
Dit is een bekent merk. De laatste versie (v5) heeft o.a. als voordeel dat deze zowel als zender (trigger) als ontvanger kan worden ingesteld. Daarom worden ze ook wel transceivers genoemd. Aan de onderkant zit een schoen die past in het flitscontact van je camera (voor Sony camera’s heb je wellicht nog een adapter nodig). Bovenop zit een flitscontact waar je de reportage flitser in kunt schuiven. Aan de onderkant zit tevens schroefdraad om het op een camera- of lampstatief te monteren. Het heeft ook een aansluiting om de flitser met een kabel aan te sturen. Handig voor studioflitsers. Die werken niet met flitsschoenen. De kabels worden met diverse verloopjes bijgeleverd.
Het bereik is tientallen meters en volgens de reviews erg betrouwbaar. Dat zit hem in het feit of ze de aangesloten flitser op de ontvanger ten alle tijden laten afgaan. Bij triggers in dit prijssegment is dat nog wel eens een probleem omdat ze soms niet af gaan bij, zul je net zien, kritieke shots zoals het verwisselen van de trouwringen bij een bruiloft. Of ze gaan spontaan af terwijl dat niet de bedoeling is. Dat komt dan door interferentie van andere apparaten in de buurt, door sterke temperatuurswisselingen of door te losse elektronische contacten. De vorige serie droeg de naam V4. Deze waren ook heel bekend maar bleken minder bedrijfszeker. De zenders en ontvangers van de V4 serie zijn in tegenstelling tot de V5 serie aparte apparaatjes.
De V5 gebruikt per transceiver twee gemakkelijk verkrijgbare AAA batterijen. Je kunt een transceiver ook gebruiken om er draadloos je camera mee te ontspannen (extra niet bijgeleverd kabeltje is dan nodig tussen de transceiver en je camera). Zelfs bulb behoort dan tot de mogelijkheid. Als extra foefje kun je de zender op kanaal 1 instellen waarna alle ontvangers op de kanalen 1-5 af gaan ongeacht het kanaal waarop ze staan te luisteren.
Wellicht nog het meest interessant van de V5 is dat deze met hoge sluitertijden kan werken (synchroniseren). Je kunt dan met grotere diafragma’s werken (voor kleinere scherptedieptes) en tevens batterijen besparen. Dit wordt toegepast als er veel omgevingslicht is, bijvoorbeeld in de volle zon.
Deze Cactus triggers kunnen tot 1/1000s sluitertijd nog de flitsers ontsteken. Maar of je camera dat ook kan i.c.m. de trigger en de flitsers is afhankelijk van het cameramodel. Vandaar de veilige 1/125s als richtlijn. Wordt de sluitertijd technisch te hoog voor je camera enlof de trigger dan neemt de hoeveelheid flitslicht af en is er kans op banding en/of lagere lichtopbrengst van de flitser. Banding is een horizontaal of verticaal vlak in de foto.
Andere universele triggers
Het merk Falcon Eyes levert ook betaalbare triggers. Bijvoorbeeld de 425 serie. Ook hier zijn de zender en de ontvanger aparte apparaatjes. Fysiek is deze ontvanger echter minder stabiel als je een flitser in de flitsschoen plaatst. Het gaat allemaal een beetje wiebelen. Ze werken bovendien niet goed boven sluitertijden van 1/200 – 1/250s.
Merk gebonden oplossingen
Wat bestaat er dan nog meer? Nikon en Canon hebben bijvoorbeeld ieder hun eigen merkgebonden methode om met hulp van flits/infrarood licht i.p.v. radiogolven tussen de camera (met de ingebouwde flitser) en de merk eigen reportage flitsers te communiceren. Deze techniek gaat verder dan het werken met eenvoudige triggers. Want hoewel de flitsintensiteit ook hier handmatig kan worden ingesteld (en vanaf de camera zelf) is er ook de mogelijkheid om deze automatisch door de camera te laten bepalen. Net zoals dat meestal gebeurt bij flitsen met de ingebouwde flitser in de camera. Dit heet TTL (DDL) wat staat voor Through The Lens (Door De Lens). De camera meet hiermee vlak voor de daadwerkelijke flitspuls met hulp van een voorflits (pre-flash) van alle opgestelde flitsers de juiste belichting.
Je kunt met deze flitsers nog de hoeveelheid flitslicht compenseren, maar dat is eigenlijk alles wat je nodig hebt. De camera regelt verder zelf de flitsintensiteit op basis van je gekozen programma, lichtmeetmethode, iso, diafragma, afstandsinformatie van de lens en sluitertijd.
Mochten je camera en flitser van Nikon of Canon er geschikt voor zijn dan kun je ook van de interne flitser (of een tweede flitser op de camera als commander) gebruik maken om de reportage flitsers draadloos aan te sturen in TTL mode. De flitser moet dan wel in het zicht staan van de door de interne flitser afgegeven flitspuls voor de aansturing. En afhankelijk van je apparatuur werkt dit ook bij hogere sluitertijden (highspeed sync). Met radiotriggers speelt het zichtprobleem uiteraard niet.
Bij analoge fotografie gebeurde de flitslichtmeting trouwens tijdens de daadwerkelijk opname, waarbij de camera de flitspuls stopte zodra er precies voldoende flitslicht op de film was gevallen. Maar bij digitale camera’s gebeurt dat tegenwoordig vooraf; en dat is zo kort op de hoofdflits dat het lijkt of er maar één flits wordt afgegeven. Het nadeel van TTL flitsen is dat de flitsbelichting gedurende meerdere foto’s kan variëren. Dat komt omdat per foto een meting wordt gedaan. Wil je dit voorkomen dan hebben sommige camera’s de mogelijkheid om de flitsmeting met een knopje te blokkeren, dwz vast te zetten. Flash lock.
Een andere manier is om de flitser zelf de hoeveelheid flitslicht te laten bepalen, mits daar in is voorzien. Het gebruikt daarvoor een eigen meetsensor (niet te verwarren met een slave sensor) die het gereflecteerde flitslicht meet en stopt met flitsen als de gewenste hoeveelheid is bereikt. Deze mode wordt ook wel (belichtings)automaat, A of AA genoemd en heeft de ingestelde ISO waarde en het diafragma op de camera nodig om goed zijn werk te kunnen doen. Voorwaarde is wel dat de flitser bij deze methode vanwege de ingebouwde meetcel “vrij zicht” moet hebben op het licht dat reflecteert van het hoofdonderwerp.
TTL triggers van PockedWizard
Voor het serieuzere werk moet je uitwijken naar het merk PockedWizard. Dit zijn volgens forums op internet erg betrouwbare triggers voor een bijbehorend budget. Vanaf type MiniTT1 / FlexTT5 kunnen ze ook TTL (DDL) informatie aan de flitser doorgeven welke afkomstig is van het lichtmeetsysteem van de camera. Ze zijn dan niet alleen in de M stand van je camera te gebruiken maar ook in bijvoorbeeld A (Av) of S (Tv). De flitser en camera “denken” dan gewoon dat ze op elkaar zijn aangesloten. Genoemde types zijn verkrijgbaar voor Nikon en Canon, resp. voor het i-ttl en e-ttl systeem. Pre-flash voor automatische uitlichting van het hoofdonderwerp met flitslicht wordt hiermee mogelijk. Genoemde types kunnen ook met hogere sluitertijden werken dan 1/200s. Daar zijn twee methoden voor. De merk gebonden manier (hss = high speed sync) met camera’s en flitsers die dat ondersteunen en een universele manier (hypersync). De Mini kan alleen als zender werken, de Flex zowel als zender of als ontvanger.
Alternatieven voor reportage flitsers
Heb je geen merk gebonden reportageflitser ergens rondslingeren? Geen nood, je kan elke reportage flitser gebruiken die je manueel kunt instellen. Scheelt veel geld. Voor de prijs van één merk gebonden flitser koop je zo twee á drie manuele flitsers. Bijvoorbeeld de Lumapro LP160. Deze heeft geen TTL, maar wel een ingebouwde slave die ook nog eens de pre-flitsen van bijvoorbeeld je ingebouwde TTL flitser kan negeren. Let er wel op dat oudere flitsers een hoge piekspanning kunnen geven waarmee je je fototoestel kunt beschadigen! Controleer dat dus eerst als je op internet op koopjesjacht gaat.
Ook kun je overwegen om een eenvoudig doch compleet en effectief studioflitssetje te kopen. Meestal verkrijgbaar met twee lampstatieven en twee flitskoppen. Dit is in de praktijk verbazend goedkoop.
Nadeel is wel dat je ze niet overal mee naar buiten kunt nemen omdat ze op 220V werken. Natuurlijk zijn deze sets ook met zware accu’s leverbaar, maar dat is voor als je weer wat verder bent toch?
Je ontsteek deze flitskoppen op dezelfde manier als reportageflitsers. Dus ook met een trigger, maar nu door ze met een kabeltje te verbinden aan de ontvanger. Je hebt maar één zender en één ontvanger nodig. De tweede flitskop zal afgaan als het de flitspuls ziet van de eerste kop. Dat komt omdat deze flitskoppen vaak over een slave functie beschikken. Dat is een lichtgevoelige meetcel die snel reageert op een flits van een andere flitser en de flitser waar het is ingebouwd zonder noemenswaardige vertraging ook laat afgaan.
Sommige flitskoppen beschikken ook over een hulplicht zodat je vooraf een beetje kunt zien hoe het licht gaat vallen. Deze lamp gaat dan even uit tijdens de daadwerkelijke flits.
Al deze flitskoppen werken handmatig. Dat wil zeggen dat je de flitsintensiteit zelf per kop moet instellen. Van 1/1 tot 1/8 bijvoorbeeld. Duurdere tot 1/32 of 1/64.
Nadeel van studiostrobes is verder dat de flitspuls doorgaans langer duurt dan bij reportageflitsers. Snelle actie bevriezen met deze flitsers lukt dan ook minder goed.